Met stropdas naar de bakker, op hakken naar de markt. Je ziet het overal. De oude man met zijn grijze haren achterover gekamd, leren schoenen gepoetst, zonnebril op sterkte. Hij loopt alsof hij op weg is naar een première, niet naar de bakker. Of de vrouw met haar glanzende haren in een achteloos perfecte knot, een smalle taille in een strakke spijkerbroek, hakken op keien. In haar ene hand een mondaine boodschappentas in haar andere een sigaret. Niet op slippers en ook niet met net-onder-de-douche- geweest haar. Altijd drooggeföhnd. In Italië hoor je goed voor de dag te komen. Of je nu je vuilnis buiten zet, een espresso drinkt aan de bar of een familie-etentje hebt met zeven gangen, je draagt iets moois.
Mannen
Italiaanse mannen lijken met een stropdas om geboren te zijn. Een das knopen kunnen ze met hun ogen dicht. Zelfs als ze met pensioen zijn, dragen ze colberts met voering, en sokken in de juiste kleur. En als ze het niet zelf doen, doet hun vrouw het nog voor ze. Ja, echt. Een stropdas met een bedrijfslogo knoop je nooit om. Hoef je dus ook nooit cadeau te geven.
Schoenen en riem zijn van dezelfde kleur.
En vrouwen
Italiaanse vrouwen zijn vaak klein van stuk maar lopen rechtop alsof ze modekoninginnen zijn. Hun maat is 34, 38 of 44. Dat maakt niet uit. Ze dragen alles met flair. En met lippenstift. Schoenen en tassen matchen met elkaar. Ze blijven slank van veel pasta eten, zeggen ze. Ik voel me vaak echt een boerentrien in mijn comfortabele spijkerbroek en wandelschoenen. Zonder make-up.















